In 1986 vonden ze in Almere een oud houten vrachtschip van rond 1425. Het schip was klein en bedoeld voor varen op binnenwater. Er werden veel spullen gevonden, ook botten van een mens.
In 1986 ontdekten wegwerkers in Almere Stad iets bijzonders. Terwijl ze een riool aanlegden tussen de Cypergrasstraat en Dadelklaverstraat in de Kruidenwijk, vonden ze een stuk aardewerk en botten. Na onderzoek bleek dit van een houten zeilschip uit de late middeleeuwen te zijn.
Het schip was een zogenoemde kogge, een vrachtschip. Koggen waren de eerste handelsschepen die internationaal voeren. Tussen 1200 en 1500, tijdens de tijd van de Hanze, voeren ze vanuit steden rond de Zuiderzee naar veel plaatsen in Europa, zelfs tot de Oostzee en de Golf van Biskaje. Ze vervoerden bijvoorbeeld linnen, hout, bier en huiden.
Om het schip te beschermen was er een flinke bemanning: zo’n 20 mensen op een schip van ongeveer 20 meter was normaal. Ook het gezin van de kapitein was aan boord. Oudere kinderen hielpen mee als scheepsmaat. Daarnaast gingen er soms ook kooplieden mee die hun eigen spullen verkochten.
Vergeleken met andere koggen in Nederland, Duitsland en Scandinavië was de Almeerse kogge vrij klein en smal. Grote koggen van 20 tot 30 meter zijn in Flevoland niet gevonden. De Zuiderzee was te ondiep voor zulke grote schepen. Dit schip was waarschijnlijk bedoeld voor de binnenwateren, omdat het niet uitgerust was om te koken en te stoken. Het was ook smal, waarschijnlijk zodat het niet te breed was voor de kanalen, bruggen en sluizen. Het was een gewoon handelsschip voor korte afstanden tussen de Zuiderzee en de Schelde.
Het schip was gemaakt van eikenhout, behalve de vloer. Die was van dennenhout. De bodem had planken strak naast elkaar (karveel), de romp had overlappende planken (overnaads). Er lagen resten van een voor- en achterdek, maar geen kajuit of opbouw voor de kapitein. Die heb je bij grotere koggen wel.
Omdat er een woonwijk werd gebouwd, kon het schip niet op de plek blijven liggen. Archeologen haalden het uit de grond en legden het opnieuw neer bij een scheepswrakkenkerkhof in Zeewolde. Uit onderzoek bleek dat het schip rond het begin van de 15e eeuw gezonken moet zijn. Het is het oudste van de 27 scheepsresten die in Almere zijn gevonden. De vondst was zo bijzonder dat het schip is opgenomen in het stadswapen van Almere.
Bij de opgraving werden 83 voorwerpen gevonden, vooral gereedschap. De bemanning moest alles zelf kunnen repareren, dus er was veel gereedschap aan boord. Ook waren er voorwerpen waarvan niet precies bekend is wat ze deden, zoals een ruiterspoor en een houten klepper.
Vaak blijven persoonlijke spullen niet achter bij een schipbreuk, omdat mensen die meenemen als ze vluchten. Toch zijn er in dit schip wél persoonlijke spullen gevonden: acht menselijke botten, een dolkje en een leren tas.
Er werden 9 botten gevonden, waarvan 8 menselijk. Het ging om een man van ongeveer 1,69 meter, tussen 20 en 40 jaar oud. Uit zijn botten bleek dat hij vaak ziek was geweest, hij had onder andere scheurbuik (tekort aan vitamine C). Hij is waarschijnlijk verdronken toen het schip zonk. Er zijn ook botten van een geit of schaap gevonden.
In het wrak werden drie zilveren munten gevonden uit de periode rond 1390 tot 1420. Hierdoor weten archeologen dat het schip rond 1425-1430 is gezonken.