Op De Bult zijn resten gevonden van jagers en verzamelaars uit de Steentijd, zoals vuurstenen werktuigen, visresten en haardplaatsen. De plek was 10.000 jaar geleden al in gebruik. De vondsten liggen diep onder de grond en worden beschermd. De omgeving is nu natuurgebied met orchideeën.
In 2001 en 2002 zijn op De Bult bijzondere resten uit de steentijd gevonden. Ze lagen onder de oude bodem van de vroegere Zuiderzee. De spullen komen uit de Midden Steentijd, tussen 8.800 en 5.000 v. Chr. Toen stond het water veel lager dan nu.
De vondsten lagen op een oude zandrug. Daarom heet de plek nu De Bult. De provincie heeft deze plek opgenomen in de top-10 van belangrijke vindplaatsen in Flevoland.
In 2003 deden archeologen ook een opgraving langs het Zwaanpad. Ze vonden daar een vuurplaats uit ongeveer 7.000 v. Chr. Rondom lagen vuurstenen werktuigen, verbrande visresten en hazelnootschillen. Dit wijst op een klein kampje van jagers en verzamelaars, waarschijnlijk gebruikt tussen april en oktober. Ze vingen vissen zoals karper, paling, baars en snoek met harpoenen of fuiken.
Tijdens de laatste ijstijd (tot 12.000 jaar geleden) werd het landschap gevormd. De wind blies zand op tot zandruggen. Na de ijstijd werd het klimaat warmer. Het landschap veranderde in een parkachtig bos met open plekken en een oerversie van de rivier de Eem. Hier konden mensen goed jagen, vissen en voedsel verzamelen zoals noten en wortels. De Bult ligt op het hoogste deel van een grote zandrug. In het oosten lag een moerassig gebied.
In de Midden Steentijd gebruikten mensen kleine vuurstenen werktuigen, ook wel microlieten genoemd. Ze zijn vaak kleiner dan 3 centimeter en werden gebruikt als pijlpunten of in harpoenen.
Op De Bult zijn veel van deze voorwerpen gevonden, waaronder 26 zeldzame micro-driehoeken van 4 tot 19 millimeter groot. Die dateren van rond 6.700 v. Chr. en zijn vooral bekend uit Noord-Nederland.
Na de laatste ijstijd kwamen de eerste mensen naar De Bult. Ze leefden in groepen van 10 tot 20 mensen. Ze hadden geen vaste huizen, maar trokken rond. Ze volgden het voedselaanbod per seizoen.
Uit DNA-onderzoek weten we dat deze mensen een donkere huid en blauwe ogen hadden. Ze konden geen melk verdragen. Hun eten bestond vooral uit vis, vogels, otters en bevers.
Vanaf 5.000 v. Chr. veranderde het leven. Mensen gingen boeren en woonden op vaste plekken. Deze periode noemen we de Swifterbantcultuur (5.000–3.400 v. Chr.).
Vanaf 4.800 v. Chr. hielden ze dieren zoals runderen en varkens. En vanaf 4.300 v. Chr. verbouwden ze graan. Ze leefden in kleine dorpen langs de Eem en de IJssel. Ze begroeven hun doden in kleine groepen.
Ze maakten aardewerken potten met puntbodem waarin ze vis en kruiden kookten. De potten werden soms versierd met nagelafdrukken.
Vroeger trokken jagers en verzamelaars door dit gebied. Op deze plek zijn sporen van hun kampement gevonden. De plek ligt op een natuurlijk kruispunt tussen twee oude zandruggen met uitzicht op een moeras.
De gemeente heeft hier zeldzame orchideeën geplant die anders verloren zouden gaan. Zo wordt de archeologische vindplaats goed beschermd én krijgt de natuur ruimte.