Bij de San Marinostraat werd rode oker gevonden, een stof die in de Midden-Steentijd werd gebruikt voor praktische én rituele doeleinden. De oker was door mensen aangevoerd en werd mogelijk gebruikt bij begrafenisrituelen of als bescherming tegen zon en insecten.
In 2002, toen hier nog een groot wortelveld was, vonden archeologen iets bijzonders diep in de grond in Europakwartier. Ze ontdekten rood zand op ongeveer 6,60 meter diepte. Dit rode zand kreeg zijn kleur door een stof die hematiet heet. Hematiet komt hier niet van nature voor, dus mensen hebben het hier gebracht. Misschien kwam het uit gebieden zoals de Eifel of Ardennen. Lange tijd geleden maakten mensen al gebruik van zulke stoffen.
Rode oker werd vroeger gebruikt bij rotstekeningen in Frankrijk en Spanje, zo’n 30.000 jaar geleden. Ook nu gebruiken sommige volkeren die nog dicht bij de natuur leven rode oker. Ze smeren het op hun huid om insecten weg te houden en tegen de zon. Het helpt ook bij het behandelen van wonden. Soms werd oker gebruikt bij rituelen. Jongens smeerden zich ermee in als teken van kracht en volwassenheid.
Bij archeologische vondsten uit die tijd wordt oker vaak gevonden bij graven, bij het hoofd en de heupen van overledenen. Misschien werd het gebruikt om een graf te markeren, of zat het op de kleren van de dode. Het kan ook zijn dat oker werd gebruikt om haar of huid te kleuren, en zo een rituele betekenis had.